Vogel
Kleine groeneduif
Kleine groeneduif
Treron olax
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine groeneduif behoort tot het geslacht Treron uit de familie van duiven (Columbidae)
.
Deze kleine, opvallend groene zangvogel komt voor in laaglandregenwouden van Brunei, Indonesië, Maleisië, Singapore en Thailand. Hij leeft voornamelijk in vochtige tropische bossen en voedt zich met vruchten. Deze vogel is schuw en beweegt zich behendig tussen de boomtoppen, waar hij vaak in kleine groepen voorkomt.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Treron
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een kleine vruchtenduif van circa 20-22 cm lengte. Het verenkleed is voornamelijk groen, perfect camouflerend in het bladerdak. De kop en borst zijn frisgroen, de buik is meer geelachtig groen. Opvallend is de kastanjebruine vlek op de rug, die scherp contrasteert met de groene mantel en dekveren. De vleugels zijn donkergroen met zwarte slagpennen en een smalle grijze rand. De onderstaartdekveren zijn oranjerood tot karmozijn. De staart is groen met een grijs eindvlak. De snavel is lichtblauwgrijs met een bleke punt, de poten karmijnrood en de iris oranjerood.
Vrouw:
Het vrouwtje mist de kastanjebruine rugvlek en is daardoor overwegend egaal groen van boven. De onderzijde is geelgroen, maar iets valer dan bij het mannetje. De vleugel- en staarttekening zijn gelijk, evenals de snavel, poten en iris, al is de oogkleur soms minder intens.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje maar hebben een matter en meer bruingroen verenkleed. De vleugeldekveren zijn voorzien van lichte randen waardoor een geschubd effect ontstaat. De onderzijde is geler van tint. De iris is donkerbruin, de snavel grijzer en de poten valer rood.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met dun, geelachtig tot grijs dons. De bovenzijde is donkerder bruinachtig, de onderzijde vuilwit tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen aanvankelijk gesloten en later donkerbruin. De kenmerkende kastanjebruine rugvlek ontwikkelt zich pas in de eerste jeugdrui bij mannetjes.