Vogel
Witwang bospatrijs
Witwang bospatrijs
Arborophila atrogularis
Log in om deze soort toe te voegenDe Witwang bospatrijs behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze bospatrijs komt voor in noordoostelijk India, noordelijk Myanmar en delen van Bangladesh, waar hij leeft in dicht struikgewas binnen primaire en secundaire altijdgroene bossen. Hij is meestal te vinden op lagere hoogtes en vertoont een verborgen gedrag, waarbij hij zich schuilhoudt in het dichte onderhout en zich voedt met plantendelen en kleine dieren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
- Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
- Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een kleine, gedrongen bospatrijs van circa 26�28 cm lengte. Het verenkleed is bont en contrastrijk: de kop is lichtgrijs met een brede zwarte keel en kin die scherp afsteken en doorlopen tot in de bovenborst. De keel wordt omzoomd door een witte band, die aansluit op een brede kastanjebruine borst. De rug en vleugels zijn warm kastanjebruin met donkere, fijne bandering, terwijl de flanken grijs zijn met kastanjebruine strepen. De buik is vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en zwart, de poten zijn rood tot oranjerood en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en de keelvlek is vaak minder diep zwart en minder uitgebreid. De kastanjebruine borst is doffer en de witte keelband minder contrastrijk. Overige kenmerken, zoals snavel, poten en iris, zijn gelijk.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter gekleurd met een meer egaal bruinachtig verenkleed. De zwarte keelvlek ontbreekt of is slechts vaag aangeduid, en de borst is lichtbruin in plaats van kastanjebruin. De flanken zijn meer egaal bruingrijs en de vleugels hebben bredere lichte randen die een geschubd effect geven. De iris is donkerbruin, de snavel grijzer en de poten zijn valer rood.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere rugstrepen die een camouflagepatroon vormen. De onderzijde is lichter, vuilwit tot cr�me. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de ogen zijn donker. De kenmerkende zwarte keelvlek ontwikkelt zich pas tijdens de eerste jeugdrui.