Vogel
Kleine chachalaca
Kleine chachalaca
Ortalis motmot
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel komt voor in tropische en subtropische bossen en houtige landschappen in Noordelijk Zuid-Amerika. Hij leeft vaak in dichte vegetatie nabij rivieren en foerageert in kleine groepen, waarbij hij zich voedt met vruchten, zaden en insecten. Zijn gedrag is sociaal en vocaal, met uitbundige roepen vooral tijdens het broedseizoen in bomen waar een ondiep nest wordt gebouwd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
- Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 53�58 cm lengte, slank gebouwd met een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend roodbruin tot kastanjebruin, met een meer olijfbruine zweem op rug en vleugels. De kop en nek zijn lichter grijsbruin, waardoor een subtiel contrast ontstaat. De keel draagt een kleine, kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die tijdens opwinding of zang duidelijker zichtbaar is. De borst en buik zijn uniform roodbruin, de staart donkerder kastanjebruin met een groene metaalglans. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin en de poten grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de roodbruine lichaamskleur en de rode keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kleuren zijn doorgaans minder intens kastanjebruin, meer olijfbruin. De keelwam kan kleiner of minder fel rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter en uniformer bruin verenkleed, zonder duidelijke glans. De keelwam ontbreekt of is rudimentair aanwezig. De rug en vleugeldekveren tonen bredere, lichtere randen die een geschubd effect geven. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met geelachtig dons met donkere vlekken en strepen die goede camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De kastanjebruine lichaamskleur en de keelwam ontwikkelen zich pas tijdens de jeugdfase.