Noordelijke Kaalkopibis

Geronticus eremita

Log in om deze soort toe te voegen

De Noordelijke Kaalkopibis (Synoniem: Waldrapp ibis, Heremietibis) behoort tot het geslacht Geronticus uit de familie van Ibissen en Lepelaars (Threskiornithidae).

Deze bedreigde vogel leeft vooral in Marokko, waar de laatste grote wilde populatie broedt op rotskliffen aan de Atlantische kust; daarnaast zijn er kleinere groepen in het Midden-Oosten en wordt hij geherïntroduceerd in Europa. Het dier heeft een voorkeur voor halfwoestijnen, steppes en ongerepte rotsgebieden bij water, waar het in groepen jaagt op insecten, kleine gewervelden en soms plantaardig materiaal, scharrelend en pikken in de ondergroei. Ondanks sociale kolonies van 3 tot 40 dieren, blijft de soort zeer kwetsbaar voor habitatverlies, klimaatverandering en jacht.

Noordelijke Kaalkopibis
Northern bald ibis
Waldrapp
Ibis chauve

Taxonomische indeling

Bird Order
Pelikanen, Reigerachtigen, Ibissen en Lepelaars (Pelecaniformes)
Bird Family
Ibissen en lepelaars (Threskiornithidae)
Bird Genus
Geronticus

Ringmaat

Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mm

Welzijnsadviezen

Ibissen en lepelaars

In de avicultuur vraagt deze soort om een ruime volière met waterpartijen, veilige broedgelegenheden en een gevarieerd dieet.
De volgende punten kunnen als aanbevolen richtlijn worden gebruikt:

  • Huisvesting: ruime volière (ca. 20–30 m² per paar, ± 3 m hoog) met vijver of waterpartij en beplanting; nestplatforms of takkenbossen voor broed.
  • Klimaat: gematigde soorten buiten met beschutting; tropische soorten vorstvrij (ca. 10 °C of warmer).
  • Sociaal: groeps- of koloniehuisvesting aanbevolen; in broedseizoen voldoende ruimte en nestplekken om agressie te beperken.
  • Voeding: watervogelpellets aangevuld met vis, weekdieren, garnalen, insecten; eventueel plantaardig materiaal.
  • Water & hygiëne: altijd vers drink- en badwater; vijvers regelmatig verversen of doorstromen.

 

Huisvestingsrichtlijnen waterpartij voliere

Man:
Het mannetje heeft een grotendeels zwart verenkleed met een groene en paarse glans op de rug, vleugels en staart. De buik en onderzijde zijn wit, wat een duidelijk contrast vormt. De kop is kaal, roze tot roodachtig van kleur, met een lange, dunne, naar beneden gebogen snavel die zwart of donkerrood is aan de punt. De poten zijn donkerrood tot zwartachtig en lang. De iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, met hetzelfde zwart-witte patroon en kale roze kop. Ze is meestal iets kleiner en de glans van het zwarte verenkleed kan minder intens zijn. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Jonge vogels lijken op de volwassenen, maar het zwarte verenkleed is matter en bruinzwart. De witte onderzijde kan grijziger zijn. De kop is gedeeltelijk bevederd en minder roze. De snavel is korter en donkerder, de poten grijzer en de iris bruinachtig.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin dons met lichte vlekken voor camouflage. De onderzijde is lichter, bijna wit. De snavel is kort en grijsachtig, de poten grijsgroen en de iris donkerbruin. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen snavel en poten hun volwassen kleuren en verschijnt het volwassen zwart-witte verenkleed met kale roze kop.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 176
  • Tijdschrift 246
  • Tijdschrift 265
  • Tijdschrift 273