Ruwenzoritoerako

Gallirex johnstoni johnstoni

Log in om deze soort toe te voegen

De Ruwenzoritoerako behoort tot het geslacht Gallirex uit de familie van Toerako's (Musophagidae).

Deze vogel leeft in de bergbossen van het Albertine Rift-gebied in Oost-Congo, Oeganda, Rwanda en Burundi. Hij voedt zich vooral met fruit en bladeren, is vaak in paren te vinden en verzamelt zich soms in groepen rond fruitdragende bomen. Zijn gedrag is typisch voor bosbewoners die afhankelijk zijn van fruitrijke habitats.

Ruwenzoritoerako
Ruwenzori Turaco (johnstoni)
Touraco du Rwenzori (johnstoni)

Taxonomische indeling

Bird Order
Toerako's (Musophagiformes)
Bird Family
Toerako's (Musophagidae)
Bird Genus
Gallirex

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.

Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Toerako's

Toerako’s zijn middelgrote, tropische bosvogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (8–12 m² per paar, 2–3 m hoog) met dichte beplanting, klimplanten en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
  • Klimaat: tropische omstandigheden; temperatuur bij voorkeur boven 10–15 °C; in winter verwarmd binnenverblijf; luchtvochtigheid 50–70%.
  • Sociaal: houden in paren of kleine familiegroepen; tijdens broedperiode koppels eventueel apart.
  • Voeding: zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en af en toe insecten; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Purperkuiftoerako

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Deze vogel valt onder bijlage B en wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder bescherming om te voorkomen dat handel de populaties schaadt. In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Mag in avicultuur worden gehouden en gekweekt.
  • Handel en overdracht alleen toegestaan met overdrachtsverklaring of registratie.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd aantoonbaar zijn.
  • Minder streng dan bijlage A, maar wel documentatieplicht.

Man:
Het mannetje is een middelgrote loerie van circa 40-42 cm lengte. Het verenkleed is overwegend smaragdgroen met een blauwgroene glans over rug en vleugels. De borst en buik zijn lichter geelgroen, terwijl de onderstaartdekveren kastanjebruin tot roodachtig zijn. De vleugels dragen karmozijnrode slagpennen die in vlucht fel contrasteren. De kop draagt een korte, groene kuif die aansluit bij de kruin. De ogen zijn oranjerood, omgeven door een brede, kale rode oogring. De snavel is stevig, kort en rood. De staart is lang en trapvormig, donkergroen met een blauwe glans. De poten zijn donkergrijs tot zwart.

Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner, en de kuif is vaak minder opvallend. De rode oogring en snavel zijn gelijk van kleur.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter olijfgroen van kleur, zonder de uitgesproken glans van volwassen vogels. De kuif is korter en vaak uniform groen. De oogring is kleiner en bleker rood, soms eerder roze. De snavel is grijsgroen en wordt later rood. De iris is bruin in plaats van oranjerood.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met donkerbruin dons. Zoals bij andere loeries hebben ze kleine haakvormige structuren aan vleugels en poten, waarmee ze zich door struikgewas kunnen bewegen. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de ogen gesloten bij geboorte, later donkerbruin. Het glanzende groene verenkleed en de rode oogring ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.