Vogel
Vale toerako
Vale toerako
Crinifer concolor concolor
Log in om deze soort toe te voegenDe Vale toerako behoort tot het geslacht Crinifer uit de familie van Toerako's (Musophagidae).
Deze middelgrote, opvallende vogel is algemeen in open savannebossen en acaciawouden in zuidelijk Afrika, met een verspreiding van zuidelijk Malawi en centraal Mozambique tot oostelijk Zuid-Afrika. Hij voelt zich ook thuis in tuinen en parken en is herkenbaar aan zijn grijze verenkleed, lange staart en kuif. Het is een luidruchtige soort die groepsgewijs foerageert, vooral op fruit, bessen en insecten, en bij verstoring een karakteristiek "ga weg!"-geluid laat horen. Dankzij zijn aanpassingsvermogen en uitgebreide voedselkeuze speelt hij een belangrijke rol in het verspreiden van zaden in zijn leefgebied.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Toerako's (Musophagiformes)
- Bird Family
- Toerako's (Musophagidae)
- Bird Genus
- Crinifer
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Toerako's
Toerako’s zijn middelgrote, tropische bosvogels afkomstig uit Afrika. Ze brengen veel tijd door in bomen en struiken en vragen in de avicultuur om ruime, groene volières met klimmogelijkheden en beschutting. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (8–12 m² per paar, 2–3 m hoog) met dichte beplanting, klimplanten en takken; droog, tochtvrij binnenverblijf.
- Klimaat: tropische omstandigheden; temperatuur bij voorkeur boven 10–15 °C; in winter verwarmd binnenverblijf; luchtvochtigheid 50–70%.
- Sociaal: houden in paren of kleine familiegroepen; tijdens broedperiode koppels eventueel apart.
- Voeding: zachtvoer voor vruchtenetende vogels; vers fruit, bessen, bladgroen en af en toe insecten; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: rustige omgeving met veel verrijking, natuurlijke begroeiing en variatie in zitmogelijkheden.
Wetgeving(en)
EU verordening bijlage B (CITES appendix II)
Deze vogel valt onder bijlage B en wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder bescherming om te voorkomen dat handel de populaties schaadt. In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Mag in avicultuur worden gehouden en gekweekt.
- Handel en overdracht alleen toegestaan met overdrachtsverklaring of registratie.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd aantoonbaar zijn.
- Minder streng dan bijlage A, maar wel documentatieplicht.
Man:
Het mannetje is een middelgrote loerie van circa 50 cm lengte. Het verenkleed is egaal grijs, zonder opvallende kleurcontrasten, wat de soort een sobere verschijning geeft. De kop draagt een lange, smalle kuif van grijze veren, die rechtop gedragen kan worden. De vleugels zijn donkergrijs, de onderzijde iets lichter grijs. De staart is lang en afgerond, donkergrijs met een lichtere eindzoom. De snavel is fors, kort gebogen en geel tot geelgroen van kleur. De iris is bruin, omgeven door een onopvallende grijze huidring. De poten zijn donkergrijs tot zwart.
Vrouw:
Het vrouwtje is nauwelijks te onderscheiden van het mannetje en lijkt sterk in grootte en verenkleed. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kuif kan korter zijn. De snavel en poten zijn gelijk van kleur.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter en bruiner van kleur, vaak met een lichtere onderzijde. De kuif is kort en minder ontwikkeld. De snavel is grijsgroen, later verkleurend naar geel. De iris is donkerbruin en de poten zijn bleker grijs.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin dons. De bovenzijde is donkerder, terwijl de onderzijde vuilwit tot crème is. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig. De ogen zijn bij geboorte gesloten en openen later donkerbruin. Het uniforme grijze verenkleed en de lange kuif ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.