Vogel
West-Mexicaanse chachalaca
West-Mexicaanse chachalaca
Ortalis poliocephala
Log in om deze soort toe te voegenDe West-Mexicaanse chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
De West-Mexicaanse chachalaca is een vogelsoort die in het zuidwesten van Mexico leeft. Ze bewonen voornamelijkrijpe bladverliezende bossen, doornstruikgewassen en secundaire bossen. Soms worden ze ook in naaldbossen en mangrovegebieden aangetroffen. Deze vogels zijn sociaal en leven in groepen. Ze zijn voornamelijk planteneters en voeden zich vooral met fruit, bloemen en bladeren. Ze broeden in de periode van april tot augustus en bouwen een nest van takken en bladeren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
- Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 55-60 cm lengte, met een slanke bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend olijfbruin tot kastanjebruin, met een lichte bronsgroene glans op rug en vleugels. De borst en buik zijn lichter bruin tot grijsachtig. De kop en nek zijn contrasterend lichtgrijs, wat de soort onderscheidt van andere Ortalis-soorten. De keel draagt een kleine, kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die bij opwinding helderder rood wordt. De staart is donkerbruin met lichtere uiteinden. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin, en de poten zijn grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, inclusief de grijzige kop en de rode keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, en het verenkleed is vaak iets doffer van kleur. De keelwam kan kleiner en minder intens rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter, uniform bruin verenkleed zonder de contrasterende grijskleurige kop van de adulten. De borst en buik zijn lichter bruin, en de vleugeldekveren vertonen brede, lichtere randen die een geschubd effect geven. De keelwam ontbreekt of is rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons voorzien van donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in de bosbodem en struikvegetatie. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De grijze kop en de rode keelwam ontwikkelen zich pas in de jeugdfase.