Witkuifsjakohoen

Penelope pileata

Log in om deze soort toe te voegen

De Witkuifsjakohoen behoort tot het geslacht Penelope binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

De witkuifsjakohoen is een grote vogel uit het oosten van het Amazonegebied in Brazilië, waar hij alleen voorkomt langs de zuidelijke oever van de Amazone en Pará-rivieren ten zuiden van Marajó-eiland. Deze soort leeft in subtropische of tropische vochtige laaglandbossen, een kwetsbaar habitat dat bedreigd wordt door ontbossing. De vogel wordt gekenmerkt door een opvallende witte kuif, donker verenkleed met blauwgrijze wangen en een luidruchtig, krassend geluid; hij is schuw en zoekt doorgaans voedsel in de bomen, vaak in kleine groepen. Door de achteruitgang van zijn leefgebied is deze vogel inmiddels als kwetsbaar geclassificeerd.

Witkuifsjakohoen
White-crested Guan
Weissschopfguan
Pénélope à poitrine rousse

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Penelope

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.

Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
  • Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
  • Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
  • Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een middelgrote guan van circa 65-75 cm lengte, met een slanke bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend donkerbruin tot olijfzwart, met een bronsgroene glans op rug en vleugels. De borst en flanken vertonen lichtere, zandkleurige veerranden die een fijn geschubd patroon vormen. De buik is lichter bruin tot grijsachtig. De kop en nek zijn opvallend grijskleurig, een kenmerkend onderscheid van de soort. De keel is kaal en draagt een kleine, felrode keelwam. De snavel is zwart, de iris donkerbruin en de poten zijn rood.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de grijskap, de rode keelwam en het geschubde borstkleed. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, en de glans van rug en vleugels is vaak minder uitgesproken. De keelwam is meestal kleiner en valer rood.

Juveniel:
Juvenielen hebben een valer, bruinachtig verenkleed zonder uitgesproken glans. De borst- en flankveren hebben brede, lichtere randen waardoor het geschubde effect sterker lijkt. De kop is nog niet grijskleurig maar egaal bruin. De keelwam ontbreekt of is slechts rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot dof roodachtig.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geel- tot bruin dons met donkere vlekken en strepen, die uitstekende camouflage bieden in het bladerdek en op de bosbodem van Atlantische wouden in Oost-Brazilië. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De grijze kop en rode keelwam ontwikkelen zich pas in de jeugdfase.