Vogel
Bandijsvogel
Bandijsvogel
Megaceryle alcyon
Log in om deze soort toe te voegenDe Bandijsvogel behoort tot het geslacht Megaceryle binnen de familie van IJsvogels (Alcedinidae).
Deze opvallende blauwgrijze vogel met grote kuif en witte kraag leeft langs rivieren, meren en kusten in Noord- en Midden-Amerika, waar hij jaagt op vis door plotseling in het water te duiken van een uitkijkpost. Het is de enige veelvoorkomende ijsvogel in zijn verspreidingsgebied en broedt in zelfgegraven holen in steile oeverwanden. In de winter trekken noordelijke populaties naar het zuiden, terwijl andere het hele jaar op dezelfde plek blijven, mits het water niet bevriest. Kenmerkend is het luide, ratelende geluid.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Scharrelaars (Coraciiformes)
- Bird Family
- IJsvogels (Alcedinidae)
- Bird Genus
- Megaceryle
Ringmaat
Welzijnsadviezen
IJsvogels
IJsvogels zijn kleine tot middelgrote visetende vogels die leven langs oevers van rivieren, vijvers en meren. Ze jagen vanaf lage zitplaatsen en broeden in zelfgegraven nesttunnels in zandige oevers. In de avicultuur vragen ze om helder water, nestgelegenheid en een rustige, goed onderhouden omgeving. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met waterpartij (15–25 m² per koppel); waterdiepte 30–60 cm; zandige oever met nesttunnel; zitstokken boven water; binnenverblijf ± 2 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: afhankelijk van de soort tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en tocht.
- Sociaal: te houden per koppel; territoriaal tijdens broedperiode; visuele afscheiding tussen verblijven voorkomt agressie.
- Voeding: kleine visjes, insecten, kreeftachtigen en amfibieën; levend of bewegend voer stimuleert natuurlijk gedrag; altijd vers water beschikbaar.
- Overig: schoon, helder water essentieel; natuurlijke nesttunnels of kunstmatige zandwanden voorzien; rustige ligging en dagelijkse hygiëne bevorderen welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een middelgrote tot grote ijsvogel van circa 28�35 cm lengte, met een robuuste bouw, grote kuif en forse, dolkvormige snavel. De bovenzijde � inclusief kruin, rug, vleugels en staart � is leigrijsblauw, terwijl de onderzijde grotendeels wit is. De borst wordt gemarkeerd door een brede, leigrijsblauwe borstband, die scherp contrasteert met de witte keel en buik. De snavel is zwaar, recht en geheel zwart, de iris donkerbruin en de poten donkergrijs. De staart toont fijne witte dwarsbanden.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar onderscheidt zich duidelijk door een extra, kastanjebruine band over de onderborst, onder de blauwe borstband. Hierdoor toont zij een driekleurige onderzijde (wit keelgebied, blauwgrijze borstband, roestbruine onderborst), terwijl het mannetje slechts ��n borstband bezit. De rest van het verenkleed is identiek aan dat van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn matter gekleurd, met een valer blauwgrijze bovenzijde en minder contrasterende borstbanden. De witte onderzijde kan een licht gelige tint hebben. De snavel is korter en grijsbruin, vaak met een bleke ondersnavelbasis. De poten zijn vleeskleurig tot grijsachtig. De typische kastanjebruine borstband bij jonge vrouwtjes verschijnt pas tijdens de eerste volledige rui.
Kuiken:
De kuikens zijn nestblijvers en worden kaal en blind geboren, met roze huid. Binnen enkele dagen ontwikkelen ze dun grijs dons. De snavel is kort, breed aan de basis en bleekgrijs; de poten zijn vleeskleurig. De volwassen kleurtekening verschijnt pas laat in de nestperiode, kort voor het uitvliegen.