Vogel
Taiwanbospatrijs
Taiwanbospatrijs
Arborophila crudigularis
Log in om deze soort toe te voegenDe Taiwanbospatrijs behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel komt uitsluitend voor in de breedbladige bossen van Taiwan, waar hij zich schuilhoudt in dicht onderbegroeide gebieden. Hij is voornamelijk bodembewoner en voedt zich met zaden en kleine ongewervelden. Het is een relatief schuwe soort die zich meestal stil houdt en solitair of in kleine groepjes leeft.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
- Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
• Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
• Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
• Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
• Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18 - Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
- Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
• De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer. - Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een compacte bospatrijs van circa 25�27 cm lengte. De kop is contrastrijk gekleurd met een zwarte kruin en brede zwarte oogstreep, gescheiden door een duidelijke witte wenkbrauwstreep. De keel is vuilwit en wordt omlijst door een zwarte band die doorloopt naar de zijkanten van de hals. De borst is kastanjebruin, de buik vuilwit tot beige. De flanken zijn grijsachtig met fijne donkere schubjes. Rug en vleugels zijn bruin met zwarte en zandkleurige vlekjes en bandering. De staart is kort en donkerbruin. De snavel is zwart, de poten zijn oranjerood en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en minder contrastrijk. De koptekening is subtieler, de witte wenkbrauw en keel zijn vaak smaller of vuiler van tint. De borst is lichter kastanjebruin en de buik meer beige. De snavel is donkergrijs, de poten roodachtig maar vaak valer dan bij het mannetje, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen zijn meer uniform bruin en missen de uitgesproken koptekening en borstkleuren. De borst is lichtbruin tot beige met vage stipjes, de buik vuilwit. De rug is zandbruin met lichtere veerranden. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Tijdens de eerste rui verschijnen de kastanjebruine borst en de contrasterende koptekening van de volwassen vogels.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt op de bosbodem. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen verenkleed ontwikkelt zich pas na de eerste rui.