Blauwsnavelhokko

Crax alberti

Log in om deze soort toe te voegen

De Blauwsnavelhokko (synoniem: Blauwknobbelhokko) behoort tot het geslacht Crax binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogel komt alleen voor in de tropische en bergachtige bossen van noordelijk Colombia, waar hij voornamelijk in ongerepte, vochtige laagland- en bergregenwouden leeft. Hij is vooral een schuwe grondbroeder die zich voedt met vruchten, insecten en kleine dieren, en speelt een belangrijke rol in het verspreiden van zaden voor het ecosysteem. Het is een solitaire of paarsgewijze vogel met een diep resonante roep, vooral tijdens het broedseizoen.

Blauwsnavelhokko
Blue-knobbed Curassow
Blaulappenhokko
Hocco d'Albert

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Crax

Ringmaat

Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
  • Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
    •    Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
    •    Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
    •    Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
    •    Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18
  • Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
  • Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
    •    De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een grote hokko van circa 90-95 cm lengte met een krachtige bouw en lange staart. Het verenkleed is grotendeels diep zwart met een blauwachtige glans. De buik en onderstaartdekveren zijn helder wit, scherp contrasterend met de donkere borst. Opvallend is de kuif van sterk gekrulde, glanzend zwarte veren boven op de kop. De snavel is zwart, aan de basis voorzien van een grote, blauwe wasknobbel (caruncula), die als onderscheidend kenmerk dient. De iris is donkerbruin en de poten zijn grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje is duidelijk verschillend van het mannetje en vertoont een uitgesproken bruine tot kastanjebruine bovenzijde, met lichtere, beige veerranden die een geschubd effect geven. De borst en buik zijn roodbruin tot kastanjekleurig, terwijl de keel lichter, vaak witachtig is. De kuif is aanwezig maar minder grof gekruld, bruin van kleur. De snavel is zwart zonder de blauwe wasknobbel. De iris is bruin, de poten grijzig.

Juveniel:
Juvenielen lijken afhankelijk van het geslacht meer op het vrouwtje, met een bruinachtig verenkleed en lichtere onderzijde. De kuif is kort en weinig ontwikkeld. De mannelijke kenmerken, zoals de zwarte bevedering en de blauwe snavelknobbel, ontwikkelen zich pas later. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons met donkere vlekken en strepen, die uitstekende camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De karakteristieke zwarte kuif van de man en de blauwe wasknobbel ontwikkelen zich pas in latere stadia.