Bruine hokko

Crax rubra

Log in om deze soort toe te voegen

De Bruine hokko behoort tot het geslacht Crax binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze grote vogel leeft in de dichte, tropische regenwouden van Oost-Mexico tot West-Colombia en Ecuador. Ze verblijven vooral op de bosbodem waar ze zoeken naar vruchten, insecten en kleine dieren. Sociaal van aard, vormen ze kleine groepen en zijn ze belangrijke zaadverspreiders binnen hun ecosysteem.

Bruine hokko
Great Curassow
Kronenhokko
Grand Hocco

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Crax

Ringmaat

Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
  • Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
    •    Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
    •    Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
    •    Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
    •    Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18
  • Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
  • Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
    •    De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een grote hokko van circa 82�100 cm lengte met een robuuste bouw en lange staart. Het verenkleed is overwegend glanzend zwart, met een opvallend gekrulde kuif van glanzende zwarte veren. De buik en onderstaartdekveren zijn helder wit, waardoor een sterk contrast ontstaat met de donkere borst en rug. De snavel is geel met aan de basis een grote, gezwollen gele wasknobbel (caruncula), die zeer kenmerkend is voor het mannetje. De iris is donkerbruin en de poten zijn grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje verschilt duidelijk van het mannetje. Ze heeft een roodbruine tot kastanjebruine bovenzijde met donkere dwarsbandering, en een lichter, vaak roodbruin gestreepte onderzijde. De kuif is aanwezig maar minder grof gekruld en vaak gemengd zwart-bruin. De snavel is donkergrijs zonder grote wasknobbel, hoogstens met een kleine, bleke basis. De iris is bruin en de poten grijzig.

Juveniel:
Juvenielen lijken in hun eerste kleed meer op het vrouwtje, met een overwegend bruin en fijn gebandeerd verenkleed. De kuif is kort en weinig ontwikkeld. Bij jonge mannetjes verschijnt het zwart van rug en borst later tijdens de jeugdrui, evenals de gele wasknobbel. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijs.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons met donkere vlekken en strepen, uitstekend camouflerend op de bosbodem. De onderzijde is lichter, vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De zwarte bevedering en de gele wasknobbel ontwikkelen zich pas veel later.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 265