Vogel
Geelbrauwchachalaca
Geelbrauwchachalaca
Ortalis superciliaris
Log in om deze soort toe te voegenDe Geelbrauwchachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel is endemisch in Brazili� en bewoont voornamelijk de laaglanden ten zuiden van de Amazonas. Het leeft in droge en vochtige bossen, alsmede in scrublands. Het is een vogel van laaglanden en kan worden aangetroffen in zwaar gedegradeerde gebieden. Het voedt zich voornamelijk met palmvruchten en bloemen, en brengt zijn broedseizoen door in de wintermaanden. Zijn vocale uitdrukkingen zijn typerend voor zijn soort.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
- Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
• Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
• Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
• Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
• Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18 - Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
- Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
• De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer. - Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 50�55 cm lengte, met een slanke bouw en lange, brede staart. Het verenkleed is overwegend olijf- tot kastanjebruin, met een groenige metaalglans op de bovenzijde. De borst en buik zijn lichter bruin tot beige. Opvallend is de brede, witte wenkbrauwstreep boven het oog, die de soort onderscheidt van andere chachalaca�s. De keel draagt een kleine, kale, roodachtige huidvlek (keelwam). De staart is donkerbruin met een bronsgroene glans. De snavel is donkergrijs tot zwart, de iris bruin en de poten grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de witte wenkbrauwstreep en de roodachtige keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker, met een iets valer bruin verenkleed. De keelwam kan minder opvallend rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen missen de contrastrijke witte wenkbrauwstreep, die slechts vaag als een lichte veerzone zichtbaar is. Het verenkleed is matter bruin, met bredere, zandkleurige randen aan de veren die een geschubd effect geven. De keelwam ontbreekt of is nauwelijks zichtbaar. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelbruin dons met donkere vlekken en strepen, waardoor ze goed gecamoufleerd zijn in struiken en op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. De witte wenkbrauwstreep en de keelwam ontwikkelen zich pas later tijdens de jeugdfase.