Kleine mesbekhokko

Mitu tomentosum

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine mesbekhokko (synoniem: Kleine mesbekpauwies) behoort tot het geslacht Mitu binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogel komt voor in het noorden van het Amazoneregenwoud, waaronder delen van Colombia, Venezuela, Guyana en Brazilië. Hij leeft vooral in regenwoud langs rivieren en dicht struikgewas, waar hij zich voornamelijk op de grond voedt en zich stil beweegt om aan roofdieren te ontsnappen.

Kleine mesbekhokko
Crestless Curassow
Samthokko
Hocco de Spix

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Mitu

Ringmaat

Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
  • Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
    •    Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
    •    Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
    •    Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
    •    Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18
  • Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
  • Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
    •    De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een grote hokko van circa 75-85 cm lengte, met een stevige bouw en lange staart. Het verenkleed is grotendeels zwartbruin met een purperen tot blauwgroene metaalglans op rug en vleugels. De borst en buik zijn donkerbruin tot zwartachtig, de onderstaartdekveren contrasterend kastanjebruin. De kop is donkergrijs tot zwartgrijs en toont een korte kuif van zachte, iets gekrulde veren. De snavel is zwart met aan de basis een rood- tot oranjeachtige wasknobbel (caruncula), kleiner dan bij soorten van het geslacht Crax. De iris is donkerbruin en de poten zijn robuust en rood.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en slanker. Het verenkleed is doffer bruinzwart en de metaalglans op de bovenzijde is minder intens. De wasknobbel aan de snavelbasis is kleiner en soms slechts vaag roodachtig. De poten zijn lichter rood of roze.

Juveniel:
Juvenielen hebben een matter en uniformer bruin verenkleed zonder duidelijke glans. De kastanjebruine onderstaart is al aanwezig, maar minder fel. De kuif is kort en nauwelijks ontwikkeld. De snavel is donkergrijs zonder zichtbare wasknobbel, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot dof rood.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met dicht, geelbruin dons met donkere vlekken en strepen, wat uitstekende camouflage biedt in de bosrijke leefomgeving. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De rode wasknobbel en de glanzende bovenzijde ontwikkelen zich pas later tijdens het opgroeien.