Baardsjakohoen

Penelope barbata

Log in om deze soort toe te voegen

De Baardsjakohoen behoort tot het geslacht Penelope binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

De baardsjakohoen is een vogelsoort uit de familie van sjakohoenders en hokko's, die voorkomt in Ecuador en noordwestelijk Peru. Deze vogel leeft in subtropische en tropische vochtige bergbossen en is over het algemeen tamelijk zeldzaam. De baardsjakohoen is voornamelijk bomenbewonend, maar daalt ook naar de grond om te forageren. De vogel wordt bedreigd door habitatverlies en heeft een karakteristieke uitstraling met bruine veren, zilvergrijze tekeningen rond de ogen en een rode keelvlek.

Baardsjakohoen
Bearded Guan
Bartguan
P�n�lope barbue

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Penelope

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
  • Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
    •    Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
    •    Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
    •    Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
    •    Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18
  • Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
  • Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
    •    De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een middelgrote guan van circa 65�70 cm lengte, met een slank lichaam en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend donker olijfbruin, waarbij de veren op borst en flanken duidelijke, lichtere randen hebben die een geschubd effect geven. Opvallend kenmerk is de rode, kale keelwam en een korte, roodachtige tot rozerode �baard� van kale huid die onder de kin hangt. De kop is klein, de iris donkerbruin, de snavel zwartachtig en de poten rood. De rug en vleugels zijn donkerbruin met een lichte olijfgroene glans.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, inclusief de rode keelwam en baard, maar is gemiddeld kleiner en slanker. De rode keelwam kan minder groot en de baard minder uitgesproken zijn. Het verenkleed is doorgaans wat doffer bruin.

Juveniel:
Juvenielen missen de felrode keelwam en de baard. Het verenkleed is matter, donkerbruin met bredere, lichtere veerranden die een sterker geschubd effect geven. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot vaalrood en de iris donkerbruin.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geel- tot roodbruin dons, bezaaid met donkere vlekken en strepen die camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De keelwam en de karakteristieke rode �baard� ontwikkelen zich pas later tijdens het opgroeien.