Vogel
Chaco Chachalaca
Chaco Chachalaca
Ortalis canicollis
Log in om deze soort toe te voegenDe Chaco Chachalaca (synoniem: Gewone chachalaca) behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel komt voor in het zuidwesten van Brazilië, oostelijk Bolivia, westelijk Paraguay en noordelijk Argentinië, vooral in droge en semi-deciduous bossen zoals het Chaco-gebied. Hij leeft vaak in groepen tot dertig exemplaren en heeft een frugivoor dieet, bestaande uit bladeren, vruchten en bloemen. De soort speelt een belangrijke rol in zaadverspreiding en is vocaal actief tijdens zonsopgang en aan het eind van de middag.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
- Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
• Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
• Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
• Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
• Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18 - Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
- Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
• De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer. - Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 50-58 cm lengte, slank gebouwd met een lange, brede staart. Het verenkleed is overwegend bruin tot olijfbruin. De kruin, nek en borst zijn grijzer getint, waarbij de nek een duidelijke, asgrijze zweem toont (kenmerkend voor de soort). De buik en onderstaartdekveren zijn lichter bruin tot beige. De staart is donkerbruin met lichtere uiteinden aan de buitenste staartpennen. De keel draagt een kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die variabel in omvang is. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin, en de poten grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de grijze nek en de roodachtige keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kleuren kunnen valer zijn, vooral op de borst en buik. De keelwam is doorgaans minder groot en minder intens rood.
Juveniel:
Juvenielen hebben een valer en uniformer bruin verenkleed en missen de uitgesproken grijze nek. De keelwam ontbreekt of is slechts vaag ontwikkeld. De rug en vleugeldekveren vertonen bredere, lichtere randen waardoor een geschubd effect ontstaat. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelachtig dons voorzien van donkere vlekken en strepen, die camouflage bieden op de bosbodem en in struikgewas. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. De grijze nek en de keelwam ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.