Grijspootsjakohoen

Penelope obscura

Log in om deze soort toe te voegen

De Grijspootsjakohoen behoort tot het geslacht Penelope binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

De grijspootsjakohoen is een vogel uit de familie Cracidae. Hij is voornamelijk te vinden in Uruguay, noordoostelijk Argentini� en zuidelijk Brazili�. Deze vogel houdt zich vooral in bosgebieden op, waar hij voedt met fruit en vruchten. Hij is langer dan de kuifsjakohoen en heeft donkergrijze poten.

Grijspootsjakohoen
Dusky-legged Guan
Bronzeguan
P�n�lope yacouhou

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Penelope

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
  • Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
    •    Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
    •    Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
    •    Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
    •    Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18
  • Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
  • Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
    •    De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een middelgrote guan van circa 65�75 cm lengte, met een slanke bouw en lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend donker olijfbruin tot zwartbruin. De borst en flanken tonen lichtere, zandkleurige veerranden die een fijn geschubd effect geven. De kop is relatief klein, met een zwarte snavel, een kale rode keelwam en een donkere iris. De rug en vleugels zijn egaal bruin met een lichte bronsgroene glans. De poten zijn rood.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, inclusief de rode keelwam en het geschubde borstkleed. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker gebouwd. Het verenkleed is vaak iets valer en minder glanzend. De keelwam kan minder fel rood zijn.

Juveniel:
Juvenielen zijn matter bruin en missen de uitgesproken rode keelwam. Het verenkleed is uniformer en de lichte randen aan borst- en flankveren zijn breder, waardoor het geschubde effect sterker lijkt. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot dof rood.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van donkere vlekken en strepen die camouflage bieden in bosrijke gebieden. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De rode keelwam en de subtiele glans op rug en vleugels ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.