Vogel
Kleine chachalaca
Kleine chachalaca
Ortalis motmot
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine chachalaca behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel komt voor in tropische en subtropische bossen en houtige landschappen in Noordelijk Zuid-Amerika. Hij leeft vaak in dichte vegetatie nabij rivieren en foerageert in kleine groepen, waarbij hij zich voedt met vruchten, zaden en insecten. Zijn gedrag is sociaal en vocaal, met uitbundige roepen vooral tijdens het broedseizoen in bomen waar een ondiep nest wordt gebouwd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Ortalis
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière, minimale hoogte > 1,80 m.
- Het oppervlak in M2 per koppel. (inclusief binnenverblijf en/of afscherming)
• Voor kleine soorten (bv Pauwfazanten) > 4
• Voor middel grote soorten (bv Elliotfazanten) > 8
• Voor grote soorten (bv Oorfazanten) > 12
• Voor zeer grote soorten (bv Pauwen, Hokko’s) > 18 - Omdat zieke en jonge vogels een aangepaste verzorging nodig hebben mag de huisvesting hier van afwijken.
- Inrichting: volière voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken; zitgelegenheid; met voldoende schuilgelegenheid tegen weersinvloeden.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard; maar moeten wel beschikken over een droge en tochtvrije bescherming.
• De niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf; schaduw is nodig in de zomer. - Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur, fazanten in koppels, soms zijn trio’s of groepen mogelijk, pauwen mogelijkerwijs in zeer grote verblijven of vrij rondlopend in groepen. De hanen van sommige soorten kunnen vooral in de kweekperiode agressief tegen de hen zijn, daarom zijn voldoende schuilmogelijkeden belangrijk.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
- Overig: droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 53�58 cm lengte, slank gebouwd met een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend roodbruin tot kastanjebruin, met een meer olijfbruine zweem op rug en vleugels. De kop en nek zijn lichter grijsbruin, waardoor een subtiel contrast ontstaat. De keel draagt een kleine, kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die tijdens opwinding of zang duidelijker zichtbaar is. De borst en buik zijn uniform roodbruin, de staart donkerder kastanjebruin met een groene metaalglans. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin en de poten grijs tot loodkleurig.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de roodbruine lichaamskleur en de rode keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kleuren zijn doorgaans minder intens kastanjebruin, meer olijfbruin. De keelwam kan kleiner of minder fel rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter en uniformer bruin verenkleed, zonder duidelijke glans. De keelwam ontbreekt of is rudimentair aanwezig. De rug en vleugeldekveren tonen bredere, lichtere randen die een geschubd effect geven. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met geelachtig dons met donkere vlekken en strepen die goede camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De kastanjebruine lichaamskleur en de keelwam ontwikkelen zich pas tijdens de jeugdfase.