Berggeelsnavelijsvogel

Syma megarhyncha megarhyncha

Log in om deze soort toe te voegen

De Berggeelsnavelijsvogel behoort tot het geslacht Syma binnen de familie van IJsvogels (Alcedinidae).

Deze vogelsoort komt voor in het centrale en zuidoostelijke deel van Nieuw-Guinea en leeft voornamelijk in de subtropische en tropische regenwouden van zowel laagland als berggebieden, vooral tussen 1200 en 2400 meter hoogte. Het is een grote, opvallende vogel die gemakkelijk te herkennen is aan zijn kastanjebruine kop en onderzijde, groenblauwe bovendelen, grote snavel en zwarte vleugels. Hij jaagt op kleine hagedissen, insecten en larven door vanuit een rustige uitkijkpost plotseling naar beneden te duiken. Het nest wordt gemaakt in de wand van een rivieroever of in dood hout, waarbij het vrouwtje doorgaans twee eieren legt in december. Dankzij zijn brede verspreiding in ongerepte bossen heeft deze vogel een stabiele populatie.

Berggeelsnavelijsvogel
Mountain Kingfisher [megarhyncha or wellsi]
0
Martin-chasseur montagnard [megarhyncha ou wellsi]

Taxonomische indeling

Bird Order
Scharrelaars (Coraciiformes)
Bird Family
IJsvogels (Alcedinidae)
Bird Genus
Syma

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

IJsvogels

IJsvogels zijn kleine tot middelgrote visetende vogels die leven langs oevers van rivieren, vijvers en meren. Ze jagen vanaf lage zitplaatsen en broeden in zelfgegraven nesttunnels in zandige oevers. In de avicultuur vragen ze om helder water, nestgelegenheid en een rustige, goed onderhouden omgeving. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met waterpartij (15–25 m² per koppel); waterdiepte 30–60 cm; zandige oever met nesttunnel; zitstokken boven water; binnenverblijf ± 2 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: afhankelijk van de soort tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en tocht.
  • Sociaal: te houden per koppel; territoriaal tijdens broedperiode; visuele afscheiding tussen verblijven voorkomt agressie.
  • Voeding: kleine visjes, insecten, kreeftachtigen en amfibieën; levend of bewegend voer stimuleert natuurlijk gedrag; altijd vers water beschikbaar.
  • Overig: schoon, helder water essentieel; natuurlijke nesttunnels of kunstmatige zandwanden voorzien; rustige ligging en dagelijkse hygiëne bevorderen welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen-IJsvogels

Man:
Het mannetje is een middelgrote bosijsvogel van circa 23�25 cm lengte, met een compacte bouw, korte staart en een opvallend zware, hoge snavel. De bovenzijde is olijf- tot donkergroen, met een meer blauwgroene tint op de vleugels en staart. De kop is iets geler, met een zwakke goudbruine zweem op de kruin en oorstreek. De keel en onderzijde zijn diep goudgeel tot oranjegeel, met een warmere tint op de borst. De snavel is groot, breed aan de basis en helder geel, vaak iets geler dan bij Syma torotoro. De iris is donkerbruin en de poten zijn geel-oranje.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is gemiddeld iets kleiner en heeft een iets slankere snavel. De kleur van de onderzijde is vaak iets bleker geel, en de bovenzijde iets doffer groen. De rest van de verenkleedtekening en proporties zijn gelijk.

Juveniel:
Juvenielen zijn valer van kleur, met een dof groenbruine bovenzijde en een meer vaalgele onderzijde. De keel is vuilwit, en de borst vertoont een licht bruingele zweem. De snavel is korter, doffer geel met een grijsachtige top, en de poten zijn vleeskleurig tot dof oranje. De iris is bruin. De snavel en kleuren worden geleidelijk helderder na de eerste rui.

Kuiken:
De kuikens zijn nestblijvers, kaal en blind bij het uitkomen, met roze huid. Binnen enkele dagen ontwikkelt zich dun grijs dons. De snavel is kort, bleekgrijs en zwak verbreed aan de basis; de poten zijn vleeskleurig. Het typische geelgroene verenkleed ontwikkelt zich pas laat in de nestperiode.