Lafayettehoen

Gallus lafayettii

Log in om deze soort toe te voegen

De Lafayettehoen (synoniem: Gallus lafayettii, Ceylonhoen, Gele kamhoen) behoort tot het geslacht Gallus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Dit vogeltje is endemisch in Sri Lanka en leeft in bosrijke gebieden of open plekken. Het is een omnivoor die zich voedt met zaden, bladeren, en kleine dieren. Het is een vrij algemene vogel die zich meestal in de wildere delen van de droge zone bevindt. Het gaat vaak op zoek naar voedsel op de grond en zoekt schuilplaatsen in de dichte vegetatie.

Lafayettehoen
Ceylon Junglefowl
Ceylonhuhn
Coq de Lafayette

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Gallus

Ringmaat

Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote, fraai gekleurde hoenderachtige van circa 66�72 cm lengte. De kop is voorzien van een grote, rood vleeskleurige kam die gekarteld is en fel contrasterende, rode lellen. De kruin en nek zijn goudgeel tot oranjerood, met lange, smalle sierveren die een glanzende metaalachtige weerschijn hebben. De rug en mantel zijn kastanjebruin tot roodbruin, terwijl de borst en flanken glanzend groenachtig zwart zijn. De staart is lang en sierlijk, zwart met een blauwe of groene metallic glans. De snavel is hoornkleurig tot geelachtig, de poten zijn grijs met krachtige sporen, en de iris is oranjebruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is kleiner (ca. 35�40 cm) en onopvallend gekleurd. Haar verenkleed is overwegend bruin tot kastanjebruin met donkere schubtekening, waardoor uitstekende camouflage ontstaat. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met fijne stipjes. De kam en lellen zijn klein en dof rood. De snavel is grijsbruin, de poten grijs zonder sporen, en de iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, maar zijn egaler bruin met minder contrasterende patronen. De borst en buik zijn lichtbruin tot vuilwit met subtiele stipjes. De kam en lellen zijn nauwelijks ontwikkeld en nog bleek van kleur. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot grijs, en de iris zeer donker. Bij jonge hanen ontwikkelen zich tijdens de eerste rui de lange halsveren, de gekleurde rug, en de karakteristieke kam.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in struik- en bosrijke habitats. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het duidelijke geslachtsverschil wordt pas zichtbaar na de eerste rui.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 211
  • Tijdschrift 187