Sclater's hokko

Crax fasciolata

Log in om deze soort toe te voegen

De Sclater's hokko (synoniem: Gewone hokko of Naaktgezichthokko) behoort tot het geslacht Crax binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogel leeft in tropische en subtropische droog- en vochtige laaglandbossen van Brazilië, Paraguay, Bolivia en noordoost-Argentinië. Hij is vooral terrestrisch en foerageert in kleine groepen op vruchten, zaden en scheuten. 's Nachts rust hij in bomen ter bescherming tegen roofdieren.

Sclater's hokko
Bare-faced Curassow
Nacktgesichthokko
Hocco à face nue

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Crax

Ringmaat

Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Deze vogelsoort wordt wereldwijd beschouwd als een (bijna) bedreigde soort in het oorspronkelijke leefgebied, of de handel in deze soort kan hiertoe leiden. 
Deze soort staat daarom op Bijlage B van de Europese Verordening en CITES appendix II. 

Binnen de avicultuur (in volière-milieu) mag deze soort alleen worden gehouden, gefokt of verhandeld als de legale herkomst kan worden aangetoond. De lidstaten aangesloten bij het CITES-verdrag (Convention on International Trade in Endangered Species of wild flora and fauna) hebben internationale regels opgesteld die het houden, fokken en verhandelen van deze dieren onder strikte voorwaarden mogelijk maakt. 

In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.

De houder de dient legale herkomst van de vogel aan te tonen:

  • De vogel is voorzien van een uniek merkteken. In het geval van vogels is dit een naadloos gesloten pootring die bij een volwassen vogel niet meer van de poot kan worden verwijderd.
  • Bij elke overdracht dient een herkomstverklaring/ overdrachtsverklaring te worden opgemaakt en ondertekend door de afgevende en ontvangende partij.
  • Let op: bij controle dienen ook gegevens van de ouderdieren én grootouderdieren getoond te kunnen worden.  

Ingelogd als lid? Klik op het > symbool achter de wetgevingnaam voor de volledige tekst. Nog geen lid en benieuwd naar het volledige artikel en meer? Word dan lid van Aviornis!

Man:
Het mannetje is een forse hokko van circa 82-90 cm lengte, met een robuuste bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is grotendeels glanzend zwart, met een blauwgroene iriserende zweem op rug en vleugels. De buik en onderstaartdekveren zijn helder wit, scherp contrasterend met de donkere borst. De kop draagt een opvallende kuif van sterk gekrulde, zwarte veren. Aan de basis van de snavel bevindt zich een grote, geel-oranje wasknobbel (caruncula), die de soort onderscheidt. De snavel is zwart, de iris donkerbruin en de poten zijn grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje verschilt duidelijk van het mannetje. Haar verenkleed is overwegend kastanjebruin met brede, lichte dwarsbandering over rug, vleugels en staart. De borst en buik zijn lichter, vaak beige tot rossig gebandeerd. De kuif is aanwezig maar minder grof gekruld en bruin van kleur. De snavel is zwart, zonder wasknobbel. De iris is bruin en de poten zijn grijzig.

Juveniel:
Juvenielen lijken meer op het vrouwtje, met een overwegend bruin en gebandeerd verenkleed. De kuif is kort en nauwelijks ontwikkeld. Bij jonge mannetjes wordt het verenkleed geleidelijk zwart, en de witte buik verschijnt pas in latere ruistadia. De kenmerkende geel-oranje wasknobbel ontwikkelt zich pas op volwassen leeftijd. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijs.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geel- tot bruin dons, bezaaid met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De kuif, witte buik en de opvallende snavelknobbel ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 200
  • Tijdschrift 201