Vogel
Spix sjakohoen
Spix sjakohoen
Penelope jacquacu
Log in om deze soort toe te voegenDe Spix sjakohoen behoort tot het geslacht Penelope binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
Deze vogel komt voor in het Amazoneregenwoud van Zuid-Amerika, verspreid over landen als Bolivia, Brazilië, Colombia en Peru. Hij leeft vooral in dichte bossen en is vooral boombewoner. Kenmerkend is zijn luidruchtige yelp-geluid en het rammelen met de vleugels bij het vliegen, wat een rol speelt in het aantrekken van partnerdieren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Penelope
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een forse guan van circa 70-85 cm lengte, met een slanke bouw en een lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend donker olijfbruin tot zwartbruin, met een groene tot bronskleurige metaalglans op rug en vleugels. De borst en flanken tonen lichtere, zandkleurige veerranden die een geschubd patroon vormen. De keel draagt een opvallende, kale rode keelwam. De snavel is zwart, de iris donkerbruin, en de poten zijn rood.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de rode keelwam en het geschubde borstkleed. Ze is gemiddeld iets kleiner en slanker gebouwd. De glans van rug en vleugels is vaak minder intens en de keelwam kan kleiner en minder fel rood zijn.
Juveniel:
Juvenielen hebben een valer, uniformer bruin verenkleed zonder uitgesproken glans. De lichte randen aan de borst- en flankveren zijn breder, waardoor het geschubde effect sterker lijkt. De keelwam ontbreekt of is slechts rudimentair zichtbaar. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot dof roodachtig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geel- tot bruin dons met donkere vlekken en strepen, die camouflage bieden op de bosbodem. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De rode keelwam en de metaalglans ontwikkelen zich pas later tijdens het opgroeien.