Vogel
Witvleugelsjakohoen
Witvleugelsjakohoen
Penelope albipennis
Log in om deze soort toe te voegenDe Witvleugelsjakohoen (synoniem: Witvleugelgoean) behoort tot het geslacht Penelope binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).
De witvleugelsjakohoen is een vogelsoort uit de familie van de chachalaca's, guans en curassows. De vogel is endemisch in noordwestelijk Peru en is te vinden in een klein gebied. Over het gedrag en de ecologie van deze soort is nog weinig bekend, maar ze werden in de jaren 1970 en 1980 opnieuw gespot na een lange periode van afwezigheid. De vogel is 85 cm lang en behoort tot een monotypische soort, wat betekent dat er geen ondersoorten zijn.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
- Bird Genus
- Penelope
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Hokkos, Goeans
Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
- Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
- Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Man:
Het mannetje is een middelgrote guan van circa 65�70 cm lengte, met een slanke bouw, lange hals en lange, afgeronde staart. Het verenkleed is overwegend donker olijfbruin tot zwartbruin, met een bronsgroene glans op rug en vleugels. Opvallend zijn de contrasterend witte handpennen en deels witte armpennen, die in rust en vooral in vlucht sterk afsteken tegen de donkere bovenzijde � een diagnostisch kenmerk van de soort. De borst en flanken vertonen lichtere, zandkleurige veerranden die een fijn geschubd patroon vormen. De keel is kaal, voorzien van een kleine, felrode keelwam. De snavel is zwart, de iris donkerbruin en de poten zijn rood.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de witte vleugels, het geschubde borstkleed en de rode keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en lichter gebouwd. De verenkleedglans is vaak minder uitgesproken, en de keelwam is doorgaans kleiner en valer rood.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter bruin verenkleed zonder uitgesproken glans. De witte vleugels zijn in dit stadium minder contrasterend en vaak vuilwit. De borst en flanken vertonen brede, lichtere randen die een meer uitgesproken geschubd effect geven. De keelwam ontbreekt of is rudimentair aanwezig. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot dof roodachtig.
Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met geel- tot bruin dons voorzien van donkere vlekken en strepen, wat uitstekende camouflage biedt in de droge bosgebieden van noordwestelijk Peru. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig en de iris donker. De witte vleugeltekening en de rode keelwam ontwikkelen zich pas later tijdens de jeugdfase.